Wetteksten over studeren met een functiebeperking
Deze pagina bevat de wetten die horen bij de wettelijke regelingen omtrent studeren met een functiebeperking. In het overzicht zijn alleen de meest relevante delen van de wetteksten opgenomen. Wie meer wil weten kan terecht op wetten.overheid.nl.
Wat de betekenis is van deze wetten voor onderwijsinstellingen en studenten met een functiebeperking staat beschreven in de rubriek 'rechten en financiën'.
- Wet Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW)
- Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap of chronische ziekte
- Wet op de Studiefinanciering 2000 (WSF 2000)
- Wet Overige OCW-Subsidies (WOOS)
- Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
- Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten (WAJong)
Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW)
Voor de volledige wet kijk op: wetten.overheid.nl
Artikel 7.6. Beroepsvereisten
- Indien een instelling een opleiding aanbiedt, gericht op een bepaald beroep, en bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen.
- Tot de in het eerste lid bedoelde vereisten behoren die welke zijn
neergelegd in de volgende Richtlijnen van de Raad van Europese Gemeenschappen:
- Richtlijn van 5 april 1993, 93/16/EEG (PbEG, L 165) (ten aanzien van artsen);
- Richtlijn van 27 juni 1977, 77/453/EEG (PbEG, L 176) (ten aanzien van verpleegkundigen);
- Richtlijn van 25 juli 1978, 78/687/EEG (PbEG, L 233) (ten aanzien van tandartsen);
- Richtlijn van 18 december 1978, 78/1027/EEG (PbEG, L 362) (ten aanzien van dierenartsen);
- Richtlijn van 10 juni 1985, 85/385/EEG (PbEG, L 223) (ten aanzien van architecten);
- Richtlijn van 16 september 1985, 85/432/EEG (PbEG, L 253) (ten aanzien van apothekers).
- Opleidingen die in het bijzonder zijn gericht op bepaalde beroepen omvatten in elk geval een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase
- Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propeudeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.
Artikel 7.9. Verwijzing in postpropedeutische fase
- Bij de weging van de studieresultaten, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, houdt het instellingsbestuur rekening met de persoonlijke omstandigheden van de student. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.
Artikel 7.11. Getuigschriften en verklaringen
- Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de
desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend
bewijsstuk uitgereikt. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd,
wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift
van het met goed gevolg afgelegde examen wordt vermeld:
- welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft,
- welke onderdelen het examen omvatte,
- in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid,
- welke graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, is verleend,en
- op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan.
- Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.
Artikel 7.13. Onderwijs- en examenregeling
- Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.
- In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in
deze wet terzake bepaalde, ten minste geregeld:
- de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven,
- waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen
- de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen
Artikel 7.34. Rechten inschrijving als student
- De inschrijving als student geeft het recht:
- aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de artikelen 7.9, eerste lid,7.30a, derde lid, en 7.30b, eerste lid, 7.53, derde lid, of 7.56 anders te beslissen,
- de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding,
- van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen verzet,
- gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en
- op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg aan de begeleiding van studenten die behoren tot een etnische of culturele minderheid waarvan de deelname aan het hoger onderwijs in betekenende mate achterblijft bij de deelname van Nederlanders die niet behoren tot een dergelijke minderheid.
Artikel 7.51. Financiële ondersteuning studenten (afstudeerfonds)
- De bijzondere omstandigheden van de student die bij de toepassing van het
eerste lid in aanmerking worden genomen zijn:
- ziekte of zwangerschap;
- lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornissen;
- bijzondere familieomstandigheden;
- het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van: 1°. bij
universiteiten: de universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is
ingesteld op grond van de medezeggenschapregeling, bedoeld in artikel 9.30,
derde lid, of artikel 9.51, tweede lid, het bestuur van een opleiding of een
opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar
statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de
studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het
instellingsbestuur, gelet op de taak, gelijk te stellen orgaan;
2°. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, de deelraad, een studentencommissie of opleidingscommissie, alsmede het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur, gelet op haar taak, gelijk te stellen orgaan; - andere door het instellingsbestuur te bepalen omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de instelling;
- ter beoordeling van het instellingsbestuur: het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid;
- een onvoldoende studeerbare opleiding;
- verlies van accreditatie van de opleiding waaraan de student is ingeschreven;
- andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap en chronische ziekte (WGBh/cz)
Voor de volledige wet kijk op: wetten.overheid.nl
Artikel 2: verbod op onderscheid
Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene, tot wie dit verbod zich
richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te
verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting vormen.
(Dus de student met een functiebeperking kan aangeven wat hij of zij nodig acht
en de onderwijsinstelling kan dit eigenlijk alleen weigeren bij onevenredig hoge
kosten)
Artikel 3: uitzonderingen op verbod
- Het verbod van onderscheid geldt niet indien:
- het onderscheid noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid;
- het onderscheid een regeling, norm of praktijk betreft die tot doel heeft specifieke voorzieningen en faciliteiten te creëren of in stand te houden ten behoeve van personen met een handicap of chronische ziekte;
- het onderscheid tot doel heeft personen met een handicap of chronische ziekte een bevoorrechte positie toe te kennen teneinde feitelijke achterstanden op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot dat doel.
- Het verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief wordt gerechtvaardigd.
Artikel 6: verbod op onderscheid in onderwijs en studiekeuze
Onderscheid is verboden bij:
- het verlenen van toegang tot en het geven van loopbaanoriëntatie en beroepskeuzevoorlichting;
- het verlenen van toegang tot, het aanbieden van, het afnemen van toetsen tijdens en het afsluiten van onderwijs dat gericht is op toetreding tot en functioneren op de arbeidsmarkt.
Artikel 10: Stappen om zaak voor te dragen
- Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.
- Indien degene die meent dat te zijnen nadeel is gehandeld in strijd met artikel 2 in rechte feiten aanvoert die kunnen doen vermoeden dat is nagelaten doeltreffende aanpassingen te treffen, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze bepaling is gehandeld.
Artikel 12
De Commissie gelijke behandeling, genoemd in artikel 11 van de Algemene wet gelijke behandeling, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet en of gehandeld is in strijd met artikel 2 van deze wet. De artikelen 12, 13, 14, 15, 20, tweede lid, en 33 van de Algemene wet gelijke behandeling zijn van overeenkomstige toepassing.
Wet op de Studiefinanciering 2000 (WSF 2000)
Voor de volledige wet kijk op: wetten.overheid.nl
Artikel 2.3. Leeftijd
- Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van het kwartaal waarop hij de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
- Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die op de eerste
dag van het kwartaal waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen:
- jonger is dan 18 jaren: met ingang van de eerste dag van het daaropvolgende kwartaal, of
- 18 jaren is of ouder: met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen.
- Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
- In afwijking van het derde lid en met inachtneming van artikel 2.13, onderdeel c, behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
Artikel 5.1. Reikwijdte hoger onderwijs
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 1996 voor het volgen van hoger onderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.
Artikel 5.6. Prestatiebeurs meer dan 4 jaar
De IB-Groep verlengt op aanvraag van de student de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
Artikel 5.15. Arbeidsongeschiktheid
Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn 80% of meer arbeidsongeschikt wordt in de zin van deWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Artikel 5.16. Bijzondere omstandigheden
- Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
- Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
- Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden niet in staat is het vereiste aantal studiepunten te behalen, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, worden de eerste 12 maanden van de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
- Indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
- De IB-Groep stelt op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.
Wet Overige OCW Subsidies (WOOS)
Voor de volledige wet kijk op: wetten.overheid.nl
Deel II. Onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap
Artikel 19a. Onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap
- Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft tot taak te
bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene, bedoeld in
artikel 1:2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, vanwege
ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs, indien het een persoon
betreft die:
- jonger is dan 17 jaar;
- studerende is als bedoeld in artikel 1:4 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
- jonger is dan 30 jaar en uitsluitend vanwege zijn ziekte of gebrek niet kan worden aangemerkt als studerende bedoeld in artikel 5 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
- Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, voorzieningen toekennen die hem in staat stellen onderwijs te volgen.
- Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van de persoon, bedoeld in het eerste lid, vervoersvoorzieningen toekennen die strekken tot verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het tweede lid.
- Onder voorzieningen als bedoeld in het tweede lid wordt niet verstaan financiering van of kinderopvangtoeslag in de kosten van kinderopvang.
- De artikelen 3:18, 3:33, 3:56, 3:57, 3:58, 3:62 en 3:74 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van voorzieningen als bedoeld in het tweede lid.
- Beschikkingen op grond van artikel 2.17 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen worden na de inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als beschikkingen op grond van deze wet.
- Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Voor de volledige wet kijk op:wetten.overheid.nl
In onderstaand wetsartikel wordt besproken waar een ingezetene recht op heeft in het kader van zorg, indien deze zorg niet zelf verricht kan worden op grond van functiebeperking.
De aanspraken
Artikel 6
- De verzekerden hebben aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Onder vorenbedoelde zorg zijn begrepen voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat, geregeld; daarbij kunnen met betrekking tot de inhoud en omvang van de desbetreffende zorg beperkingen worden gesteld. De uitvoeringsorganen dragen zorg dat de bij hen ingeschreven verzekerden hun aanspraak op zorg tot gelding kunnen brengen.
- Uitvoeringsorganen bepalen bij reglement of zorg, bedoeld in het eerste lid, aan bij hen ingeschreven verzekerden als verstrekking wordt verleend danwel dat aan de verzekerden uitkeringen in geld worden gedaan wegens kosten die deze verzekerden hebben gemaakt voor de bedoelde zorg of voor een in het reglement aangegeven deel daarvan danwel dat de verzekerden de keuze wordt gelaten tussen zorgverlening als verstrekking en een zodanige uitkering in geld. Behoudens toepassing van het derde lid is de uitkering, bedoeld in de vorige volzin, gelijk aan het aan de verzekerde rechtsgeldig in rekening gebrachte tarief. Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel kan met betrekking tot bij die maatregel aan te geven vormen van zorg worden bepaald dat deze uitsluitend als verstrekking aan de verzekerden wordt verleend.
- Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan: de bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort en de zorg en voorzieningen die verstrekt worden en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van de verzekerde en diens echtgenoot. Indien een uitvoeringsorgaan met toepassing van het tweede lid aan de verzekerde een uitkering in geld doet blijft een overeenkomstig de vorige volzin te berekenen bedrag voor rekening van de verzekerde.
- Het bepaalde in de laatste twee volzinnen van het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot het verlenen van verstrekkingen onder verantwoordelijkheid, waaronder begrepen de financiële verantwoordelijkheid, van Onze Minister van Justitie in het kader van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak.
- Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat een
verstrekking wordt voortgezet na het tijdstip, waarop de verzekering is
geëindigd of dat aanspraak op een uitkering bestaat voor zorg die wordt verleend
na dat tijdstip. Daarbij kunnen beperkingen en voorwaarden worden gesteld.
De wijze waarop een zodanige aanspraak geldend wordt gemaakt wordt daarbij eveneens geregeld. - Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat de uitvoeringsorganen een verstrekking weigeren of op een later tijdstip doen ingaan, dan wel een hogere bijdrage van de verzekerde vorderen dan krachtens het tweede lid van dit artikel is vastgesteld, dan wel een uitkering geheel of gedeeltelijk weigeren, in de bij of krachtens die maatregel aan te geven gevallen en omstandigheden, waarin de kosten van het verlenen van de desbetreffende zorg in redelijkheid niet of niet volledig ten laste van de in deze wet geregelde verzekering dienen te komen.
- Onverminderd hetgeen elders in deze wet wordt bepaald, dient de wijze waarop de in dit artikel bedoelde aanspraken tot gelding worden gebracht, door het uitvoeringsorgaan met de verzekerde schriftelijk te worden overeengekomen. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 9, derde lid, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de duur van een overeenkomst als bedoeld in de eerste volzin. Het uitvoeringsorgaan bepaalt bij reglement de wijze waarop de in dit artikel bedoelde aanspraken tot gelding worden gebracht voor zolang een in de eerste volzin bedoelde overeenkomst niet tot stand is gekomen.
- Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij treedt in werking op een tijdstip dat nadat dertig dagen na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel ingetrokken.
Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten (WAJong)
Voor de volledige wet kijk op:wetten.overheid.nl
Artikel 1:4. Studerenden
- In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als studerende
aangemerkt de persoon:
- die studiefinanciering ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering 2000;
- die een financiële voorziening ontvangt als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- die een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten ontvangt op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
- voor wie de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van die wet;
- die, hoewel hij niet op grond van de onderdelen a tot en met d als studerende wordt aangemerkt, niettemin in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal, voor zolang hij de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt.
- Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere dan de in het eerste lid bedoelde personen als studerende worden aangemerkt.
- Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel e.
Artikel 3:1. Begrip arbeidsongeschiktheid
- Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, in de zin van dit hoofdstuk, is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
- De persoon die op de dag dat hij ingezetene wordt gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt, indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen soortgelijke personen, die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
- Indien de op de in het tweede lid bedoelde dag aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de dag waarop de betrokkene ingezetene wordt in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.
- Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien de betrokkene op het moment dat hij ingezetene werd jonger was dan zeventien jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij zeventien jaar wordt ingezetene is geweest.
- Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
- Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
- Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing gelaten, hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening.
- Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met zevende lid nadere regels worden gesteld.
- De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
- Bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in dit hoofdstuk maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen.
Artikel 3:2. Jonggehandicapte
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:
- op de dag waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is;
- na de in onderdeel a bedoelde dag arbeidsongeschikt wordt en in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Sociale media